O-ring oppervlakteafwerking is vaker de oorzaak van lekkage dan de ring zelf. De gleuf klopt, de O-ring is het juiste materiaal, de persing is berekend: en toch lekt het. In de meeste gevallen zit de oorzaak in de oppervlakteafwerking. Eén draaigroef, een kras of een bewerkingsspoor op het afdichtingsvlak is voldoende voor een continu lekpad langs de O-ring. Dit artikel behandelt de normatieve ruwheidswaarden voor O-ring oppervlakteafwerking en wat ze betekenen in de praktijk bij statische, dynamische en pulserende toepassingen.
Een O-ring dicht af door elastisch contact met twee oppervlakken: de gleufbodem en het tegenoppervlak. De afdichting werkt zolang de contactdruk van de ring hoger is dan de werkdruk van het medium. Die contactdruk wordt bepaald door de persing, de hardhheid van de ring en de kwaliteit van het oppervlak waarop de ring rust.
Bij hoge werkdrukken helpt de druk mee: hij perst de ring harder aan en overbrugt kleine oppervlaktefouten. Bij lage werkdrukken is de contactdruk van de ring beperkt en is de ring niet in staat kleine ruwheidspieken te omspannen. Juist bij lage drukken, bij vacuüm of bij het afdichten van gassen is de oppervlaktekwaliteit daarmee de meest kritische variabele in het ontwerp. Een goed geslepen afdichtingsvlak kan een kleine geometriefout in de gleuf compenseren. Een ruw of beschadigd afdichtingsvlak kan een perfect gedimensioneerde gleuf tenietdoen.
Vier keer strakker: het afdichtingsvlak bij dynamische toepassingen (Ra 0,4 µm) is vier keer strakker dan bij statisch (Ra 1,6 µm). Elke slag over een ruw vlak slijt de ring.
Bij O-ringsafdichtingen zijn er drie afzonderlijke oppervlakken die elk een eigen ruwheidseis hebben: het afdichtingsvlak (het tegenoppervlak waarop de ring afdicht), de gleufbodem (het vlak waarop de ring rust in de gleuf) en de gleufflanken (de zijwanden van de gleuf). De eisen lopen uiteen per oppervlak en per afdichtingstype.
Het afdichtingsvlak stelt de strengste ruwheidseis. Dit is het oppervlak dat in direct contact staat met de buitenkant van de ring en waarlangs het medium wordt afgedicht. Bij statische toepassingen is Ra max. 1,6 µm vereist. Bij dynamische toepassingen, waarbij de ring bij elke slag over dit vlak schuift, is de eis vier keer strenger: Ra max. 0,4 µm. Bij pulserende druk, waarbij drukstoten de ring cyclisch tegen het vlak aanduwen, geldt Ra max. 0,8 µm. Beschadigingen zoals draaigroeven, krassen of krimpholten op het afdichtingsvlak zijn direct kritisch. Zelfs een fijne draaigroef in radiale richting vormt een aaneengesloten lekpad langs de omtrek van de ring.
De gleufbodem heeft een minder strenge eis dan het afdichtingsvlak, maar mag zeker niet worden behandeld als een niet-kritisch vlak. Bij statisch is Ra max. 3,2 µm voldoende. Bij dynamisch is dat Ra max. 1,6 µm. De gleufbodem is het vlak waarop de ring rust wanneer hij niet onder druk staat. Een te ruwe gleufbodem beschadigt de onderkant van de ring niet direct, maar geeft bij hogere drukken ongelijkmatige ondersteuning, wat leidt tot lokaal overmatige persing in de ruwheidspieken.
De gleufflanken zijn de minst kritische van de drie oppervlakken voor de afdichting zelf. Bij statisch is Ra max. 6,3 µm de norm. Bij dynamisch Ra max. 3,2 µm. Maar de gleufflanken zijn wel kritisch voor de montage: scherpe randen of bramen op de overgang van de flank naar het afdichtingsvlak beschadigen de ring bij het insteken. Controleer de flanken altijd op braamvorming na bewerking.
De tabel hieronder toont alle normatieve ruwheidswaarden uit de Anyseals-specificatie voor de drie oppervlakken en drie afdichtingstypen. Ra is de gemiddelde ruwheid, Rz de gemiddelde piekhoogte, Rmax de maximale piekhoogte.

|
Oppervlak |
Dynamisch Ra |
Dynamisch Rz |
Dynamisch Rmax |
Statisch Ra |
Statisch Rz |
Statisch Rmax |
Pulserende druk Ra |
|
Afdichtingsvlak |
≤ 0,4 µm |
1,2 µm |
1,6 µm |
1,6 µm |
6,3 µm |
10 µm |
0,8 µm |
|
Gleufbodem |
≤ 1,6 µm |
3,2 µm |
6,3 µm |
3,2 µm |
10 µm |
12,5 µm |
1,6 µm |
|
Gleufflanken |
≤ 3,2 µm |
6,3 µm |
10 µm |
6,3 µm |
12,5 µm |
16 µm |
3,2 µm |
Voor dagelijks gebruik is de compacte vergelijking op Ra-niveau het meest praktisch:
|
Oppervlak |
Statisch Ra max. |
Dynamisch Ra max. |
Pulserende druk Ra max. |
|
Afdichtingsvlak |
1,6 µm |
0,4 µm |
0,8 µm |
|
Gleufbodem |
3,2 µm |
1,6 µm |
1,6 µm |
|
Gleufflanken |
6,3 µm |
3,2 µm |
3,2 µm |
Naast de ruwheid zijn er specifieke beschadigingsvormen die altijd tot problemen leiden, ongeacht of de Ra-waarde binnen de norm valt. De norm stelt expliciet dat de afdichtingsvlakken vrij moeten zijn van de volgende beschadigingen.
Krassen: axiale of radiale krassen op het afdichtingsvlak vormen lekpaden langs de ring. Zelfs een haarfijne kras is kritisch bij gassen of bij lage drukken. Krassen zijn de meest voorkomende oorzaak van lekkage bij nieuw gemonteerde systemen.
Krimpholten: kleine holten in het oppervlak door gieten of lassen geven lokale onderbreking van het contact tussen ring en oppervlak. Zichtbaar als kleine putjes of blazen, soms alleen zichtbaar onder vergroting.
Diepe bewerkingssporen: een te hoge voeding bij het draaien of frezen laat spiraalvormige of lineaire sporen achter die Rmax fors overschrijden, ook als de gemiddelde Ra binnen de norm valt. Meet daarom altijd Rz of Rmax naast Ra.

Ra alleen is onvoldoende als controlecriterium. Een oppervlak kan een lage Ra-waarde hebben maar toch diepe, geïsoleerde krassen bevatten die Rmax fors overschrijden. Voor afdichtingsoppervlakken is het standaard om zowel Ra als Rz te meten, en bij kritische toepassingen ook Rmax.
De meting moet in de kritische richting worden uitgevoerd: voor cilindrische afdichtingsvlakken is de axiale richting (parallel aan de as) het meest kritisch, omdat krassen in die richting parallel lopen aan de ring en een continu lekpad kunnen vormen. Een meting in radiale richting geeft bij cilindrische vlakken een ander beeld dan de werkelijke afdichtingssituatie.
Bij elke slag schuift de O-ring over het afdichtingsvlak. Een ruw oppervlak slijt de ring mechanisch, bij elke beweging een klein beetje. Bij statisch doet zich dat niet voor: de ring staat stil op het vlak en kan kleine ruwheidspieken overbruggen door elastische deformatie.
Ra is de gemiddelde afwijking van de ruwheidsprofiel ten opzichte van de middellijn: een gemiddelde waarde over de hele meetlengte. Rz is de gemiddelde hoogte van de vijf hoogste pieken minus de vijf diepste dalen: gevoeliger voor uitschieters. Rmax is de grootste gemeten piek in het profiel. Voor afdichtingen is Rmax het meest kritisch, omdat één diepe kras voldoende is voor een lekpad.
De meest voorkomende oorzaak is dat Rmax of Rz de norm overschrijdt, ook als Ra binnen de waarden valt. Een of enkele diepe krassen of bewerkingssporen kunnen een lekpad vormen zonder dat de gemiddelde ruwheid opvalt. Meet ook Rz en Rmax, en controleer het oppervlak visueel op krassen, putjes of spiraalsporen.
Lichte krassen kunnen bij statische toepassingen soms worden weggeslepen of gepolijst, mits de maatnauwkeurigheid daarna nog voldoet. Bij dynamische toepassingen is nawerkten bijna altijd nodig omdat de eis strenger is. Controleer na nawerkten altijd opnieuw de maat en de ruwheid. Bij ernstige beschadiging is vervanging van het onderdeel de veiligste keuze.
Nee. De gleufbodem mag bij dynamisch gebruik Ra max. 1,6 µm zijn, vier keer ruimer dan het afdichtingsvlak. De gleufbodem staat niet in contact met de bewegende tegenoppervlak en draagt niet direct bij aan de slijtage van de ring tijdens de slag.