O-ring spleetafmetingen bepalen of een ring overleeft bij hogere werkdrukken. Bij te grote spleten wordt het rubber letterlijk in de opening geperst en vernield: extrusie. De maximale toelaatbare O-ring spleetbreedte hangt af van de werkdruk, de hardheid van de ring en het afdichtingstype. Dit artikel behandelt de normatieve spleetwaarden, het mechanisme achter extrusie en de maatregelen die de grens verhogen.
Spleetextrusie treedt op wanneer de werkdruk het rubbermateriaal van de O-ring in de opening tussen de twee onderdelen perst. De ring wordt daarbij gedeeltelijk door de spleet geduwd, aan de lagedrukzijde van de gleuf. Het rubber dat in de spleet is geperst, kan niet terugveren: het is beschadigd door de mechanische overrekking. Bij de volgende drukslag wordt het uitstekende deel verder beschadigd, bij de volgende nog meer. Uiteindelijk schijft een stuk rubber af, of de ring verliest zo veel materiaal dat hij niet meer voldoende afdichtkracht heeft.
Extrusie is herkenbaar aan de karakteristieke nibbling-schade: kleine stukjes uitgerafelde rubber aan de lagedrukzijde van de ring. Bij statische toepassingen kan extrusie ook onzichtbaar zijn totdat de ring bij demontage wordt geïnspecteerd. Bij dynamische toepassingen is extrusie vrijwel altijd zichtbaar als fragmenten rubber in het systeem of als een plotseling versnelde lekkage na een aantal bedrijfsuren.
Spleetextrusie is onomkeerbaar. De ring moet worden vervangen. Maar de spleet die de extrusie veroorzaakte, blijft even groot als voorheen: zonder aanpassing van de constructie treedt extrusie bij de volgende ring opnieuw op.
De maximale spleetbreedte hangt van twee variabelen af: de werkdruk en de Shore A-hardheid van de O-ring. Hogere druk geeft meer kracht om het rubber door de spleet te duwen: de maximale spleet wordt daarmee kleiner. Hogere hardheid maakt het rubber stijver en moeilijker vervormbaar: de maximale spleet wordt daarmee groter.
Dit verklaart waarom hogere hardheden worden gekozen bij hogere werkdrukken of bij constructies waar de spleet om technische redenen niet kleiner kan worden gemaakt. Een ring van 90 Shore A tolereert bij dezelfde druk altijd een grotere spleet dan een ring van 70 Shore A. Het compromis is dat een hardere ring minder goed kan volgen bij kleine onregelmatigheden in het afdichtingsvlak en daardoor een strakker oppervlak vereist voor een goede afdichting bij lage drukken.
De waarden in de tabel hieronder zijn geldig voor temperaturen tot maximaal 70 °C. Bij hogere temperaturen wordt rubber zachter en neemt de extrusiebestendigheid af. Boven 70 °C moeten de waarden conservatiever worden gehanteerd of moet een hardere ring worden gekozen.
|
Druk (bar) |
70 Shore A (mm) |
80 Shore A (mm) |
90 Shore A (mm) |
|
tot 63 |
0,20 |
0,25 |
0,30 |
|
63 tot 100 |
0,10 |
0,20 |
0,25 |
|
100 tot 160 |
0,05 |
0,10 |
0,20 |
|
160 tot 250 |
niet van toepassing |
0,05 |
0,10 |
|
250 tot 350 |
niet van toepassing |
niet van toepassing |
0,05 |
Bij siliconenmaterialen moeten alle waarden worden gehalveerd. Silicoon heeft een lagere treksterkte dan NBR of FKM en extrueert daardoor bij bredere spleten dan de tabel aangeeft.
Bij dynamische toepassingen liggen de maximale spleetwaarden lager dan bij statisch, bij gelijke druk en hardheid. De pulserende druk bij elke slag creëert een cyclische belasting op de ring aan de spleetkant. Die dynamische belasting versnelt de extrusie in vergelijking met een constante statische druk. Boven 63 bar zijn bij dynamisch gebruik geen 70 Shore A ringen meer toelaatbaar zonder steunringen, ongeacht de spleetbreedte.
|
Druk (bar) |
70 Shore A (mm) |
80 Shore A (mm) |
90 Shore A (mm) |
|
tot 30 |
0,20 |
0,25 |
0,30 |
|
30 tot 63 |
0,10 |
0,15 |
0,20 |
|
63 tot 80 |
niet van toepassing |
0,10 |
0,15 |
|
80 tot 100 |
niet van toepassing |
niet van toepassing |
0,10 |
Druk langs beide zijden geeft een andere spleeteis dan druk langs één zijde. Bij druk van beide kanten worden de ringen aan beide flanken van de gleuf belast en moeten steunringen aan beide kanten worden overwogen.
Wanneer de spleet tussen de onderdelen om constructieve redenen niet kleiner kan worden gemaakt, zijn steunringen de meest gebruikte oplossing. Een steunring is een harde, niet-elastische ring, meestal van PTFE, PE of NBR, die naast de O-ring in de gleuf wordt geplaatst, aan de lagedrukzijde. De steunring vult de spleet op en blokkeert de doortocht van het rubber.
Druk langs één zijde: één steunring aan de lagedrukzijde volstaat.
Druk langs beide zijden of pulserende druk: steunringen aan beide zijden van de O-ring.
Materiaal steunring: PTFE heeft de laagste wrijving en de beste chemische weerstand. PE is goedkoper. NBR (concave vorm) wordt gebruikt bij toepassingen waarbij een lichte veerkracht gewenst is.
Bekijk het volledige assortiment steunringen op o-ring-stocks.eu/nl/steunringen/.
De spleetbreedte is in de praktijk niet altijd eenvoudig te meten, zeker bij cilindrische verbindingen waarbij de spleet afhangt van de passing tussen boring en stang. De spleet is het verschil tussen de nominale binnendiameter van de boring en de buitendiameter van de stang, gedeeld door twee. Bij een boring van 50,10 mm en een stang van 49,90 mm bedraagt de eenzijdige spleet 0,10 mm.
Houd bij het ontwerp rekening met de maximale spleet over de volledige tolerantieband: niet de nominale passing is bepalend, maar de worst-case combinatie van maximale boring en minimale stang. Controleer bij onderhoud of de spleet door slijtage van de stang of boring is toegenomen tot boven de toegestane waarde.
De spleetwaarden in de tabellen zijn geldig tot maximaal 70 °C. Daarboven neemt de elasticiteitsmodulus van elastomeren af: het rubber wordt zachter en de extrusiebestendigheid vermindert. Dat betekent dat bij hogere temperaturen dezelfde druk een grotere extrusiekracht uitoefent op het materiaal. Als richtlijn: boven 70 °C kiest u één hardheidsklasse hoger dan de tabel aangeeft voor uw drukbereik, of u verkleint de spleet verder. Bij toepassingen boven 100 °C is het verstandig om de spleetwaarden in overleg met een technisch specialist te bepalen.
| Afdichting | Druk | Hardheid (Shore A) | ||
| Statisch | < 63 | 0.20 | 0.25 | 0.30 |
| 63 - 100 | 0.10 | 0.20 | 0.25 | |
| 100 - 160 | 0.05 | 0.10 | 0.20 | |
| 160 - 250 | - | 0.05 | 0.10 | |
| 250 - 350 | - | - | 0.05 | |
| Dynamisch | < 30 | 0.20 | 0.25 | 0.30 |
| 30 - 63 | 0.10 | 0.15 | 0.20 | |
| 63 - 80 | - | 0.10 | 0.15 | |
| 80 - 100 | - | - | 0.0 | |
Spleetextrusie treedt op als de werkdruk het rubber van de O-ring in de spleet tussen de onderdelen perst. Herkenbaar aan de zogenaamde nibbling-schade: uitgerafelde of afgebrokkelde stukjes rubber aan de lagedrukzijde van de ring. Bij statische toepassingen is de schade soms alleen zichtbaar bij demontage.
Als de spleet om constructieve redenen niet kleiner kan worden en de werkdruk de maximale spleetwaarde voor 70 Shore A overschrijdt. Een ring van 80 of 90 Shore A tolereert bij dezelfde druk een grotere spleet. Het compromis is dat een hardere ring een strakker afdichtingsvlak vereist bij lage drukken.
Bij druk langs één zijde volstaat één steunring aan de lagedrukzijde. Bij druk van beide kanten of bij pulserende druk worden steunringen aan beide zijden van de O-ring aanbevolen.
Silicoon heeft een lagere treksterkte dan NBR of FKM. Bij dezelfde druk en spleet extrueert silicoon eerder omdat het rubber zich makkelijker door de opening laat duwen. De gecorrigeerde waarden zijn de helft van de waarden in de tabel.
PTFE-steunringen zijn de meest universele keuze: lage wrijving, brede chemische weerstand en hoge temperatuurgrenzen. PE-steunringen zijn goedkoper en geschikt voor minder veeleisende toepassingen. NBR concave steunringen worden gebruikt bij toepassingen waarbij een lichte terugveerkracht gewenst is. Bekijk het volledige assortiment op o-ring-stocks.eu/nl/steunringen/.
De eenzijdige spleet is: (binnendiameter boring minus buitendiameter stang) gedeeld door 2. Gebruik de worst-case waarden uit de tolerantieband: maximale boring en minimale stang. Die combinatie geeft de grootste mogelijke spleet, en die waarde is de grens die u vergelijkt met de tabel.